OEFENINGEN MET TEGENWOORDIG DEELWOORD
Vul het juiste woord in!
Vul het tegenwoordig deelwoord in.
Vul het TEGENWOORDIG DEELWOORD in.
aarzelen
De hond komt
[?]
naar de jongen toe.
huilen
[?]
van verdriet valt hij op bed.
afwisselen
De mlitairen houden
[?]
de wacht.
vrezen
[?]
voor zijn leven dook hij toch naar de kleine jongen.
verlangen
De kinderen keken
[?]
naar de mooie cadeaus.
fluiten
De jongens liepen
[?]
naar de voetbalvereniging
Controleer
Hint
OK